Nicotine

Het duurde niet lang voordat Casper ervan overtuigd was geraakt dat iederéén rookte.
Hij probeerde voor zichzelf na te gaan of hij het zich verbeeldde, dat aan iedere onderlip die hij zag een klef sjekkie bungelde, of een filtersigaret. Of dat de niet-rokers simpelweg uit zijn bewustzijn weg waren gevaagd.
Onwillekeurig dacht hij aan Annet, en hij verwonderde zich.
Hij dacht aan haar lippen, schraal en lichtroze, en aan de mentholsigaret daartussen. Was hij te hard geweest, toen hij haar voor die ene sigaret de deur uit zette?
Ze hadden toch een afspraak?
Het ging erom dat ze de verleiding zouden weerstaan, samen. Dat had ze zelf gezegd. "We moeten sterk zijn", zoiets.
Een cliché in ieder geval.
De Dommelsch-vlag boven de deur had genoeg overredingskracht om hem naar binnen te lokken, hoewel hij nooit bier dronk. Hij bestelde twee dubbele whisky's tegelijk (hoewel het ook één vierdubbele had kunnen zijn), dat bespaarde hem weer één keer gezeik van het meisje achter de bar. Hoewel ze mooi was en betoverend lachte, zat hij geen moment te wachten op een woordenwisseling met wie dan ook. Trillend zette hij één van de glazen aan zijn mond, onderwijl naar een tafeltje achterin lopend.
Het was een duistere kroeg, maar niet onheilspellend.
De zwarte tafels waren stijlvol afgezet met een brede chromen rand, de houten stoeltjes donkerrood gelakt. Het was vroeg in de middag - er was bijna niemand.
Aan de bar zat een jongeman van voor in de twintig, rossig haar en gehuld in zwarte vodden. Naast hem, licht voorover gebogen, stond een lange man met een klein brilletje en zijn lange haar in een vettige staart. Zijn briefje van vijfentwintig veranderde in een zakje marihuana, als in een goocheltruuk. De rossige jongen stopte het bankbiljet in zijn portefeuille.
Casper snoof diep, alsof hij iets van de geur op wilde vangen. Hij grinnikte en tegelijkertijd vond hij het volkomen misplaatst. Alles wat hij ving was de geur van zijn eigen whisky, nu nog maar in één glas.
Ook dat zou niet lang meer duren.
Deze keer vroeg hij om drie dubbele whisky's, maar dan wel in één glas want dat scheelde in de afwas. Het mooie meisje achter de bar lachte, Casper wist niet meer wat grappig was en wat niet.
Annet had ook om hem gelachen, toen hij twee sigaretten tegelijk op had gestoken, zoals Nicolas Cage in Wild At Heart. Dat was grappig, toen, maar nu niet meer.
Hij had zin in haar.
Nee, hij had zin in die twee sigaretten.
Zijn mijmering werd ruw onderbroken door de lange man met de staart, en vooral door zijn vette joint, op enkele centimeters van Casper's gezicht. "Blowen?", dat was alles wat hij zei, met een vriendelijke glimlach op zijn pokdalige gezicht. Casper sloeg zijn zes whisky's achterover en beende het café uit.
Buiten gekomen bemerkte hij het zweet op zijn voorhoofd, en in zijn handen. De wind voelde koud aan. De joint stond in zijn netvlies gegrift, en de sterke geur van Thaiwiet nestelde zich in het diepste van zijn ziel. Een man in een deken vroeg om een sigaret, alsof Casper's schreeuwende verlangen tot een tastbaar en vooral zichtbaar pakje sigaretten was geworden. Casper bekte de zwerver af en had meteen spijt van zijn lompheid. De zwerver was alweer bezig iemand anders lastig te vallen.
Zo onverschillig wil ik ook zijn, dacht Casper.
Zijn weg naar het volgende café was gevuld met rokende mensen en tabakszaken, vuilnisbakken afgeladen met peuken en lege sigarettenpakjes. Eénmaal binnen was de sigarettenautomaat het eerste waar zijn oog op viel, direct gevolgd door de dozen RizLa+ en Mascotte achter de bar. De schamele bezoekers leken niet eens te beseffen dat ze nicotine naar binnen zaten te zuigen.
Casper bestelde een dubbele en keek rond.
Hier was meer licht, meer ruimte, de rookwolken waren dikker en doordringender, de kleuren helderder en levendiger. In de hoek, naast de Wurlitzer, was een tafel waarop geen asbak stond. Casper zette zijn glas neer en liet zich op de paarsmetalen stoel vallen. Nog nooit had iemand hem spontaan een sigaret aangeboden. Nu leken ze van alle kanten te komen, de vragende pakjes met wenkende sigaretten, dwingend, knipogend, ja zelfs fluisterend!
Rook me!
Zuig aan me!
Zippo's en plastic wegwerpaanstekers lichtten op als was het een optreden van André Hazes. Voor Casper was het weer eens tijd om te gaan.
Gelukkig had hij nog wel zijn glas kunnen legen. Hij was een beetje duizelig, alsof hij teveel gerookt had. Dat had hij niet - hij rookte immers niet meer.
Annet wel.
Waar nu te gaan?
In kroegen wordt gerookt, op straat wordt gerookt. In iedere openbare gelegenheid die Casper zich kon bedenken, heerste die verderfelijke tabacscultuur. In de metro niet, maar een strippenkaart kost tegenwoordig ruim twee pakjes sigaretten.
Ik ga naar de film, dacht Casper.
Tijdens de derde sigarettenreclame - een man op zee in een verschrikkelijke storm met een brandende peuk in zijn mond - was hij naar het toilet gerend om hartstochtelijk te kotsen. Hij wist niet welke film er draaide, ook niet wat hij zou missen want hij ging niet meer terug naar binnen. Na zijn hoofd onder de kraan gestoken te hebben, gooide hij wat geld in de condoomautomaat. Niet dat hij condooms nodig had, maar het leidde zijn aandacht af van de sigarettenautomaat, die ernaast hing.
Bij het verlaten van de toiletruimte keek Casper terloops in de spiegel. Zijn bloeddoorlopen ogen staken fel af tegen zijn lijkbleke gelaat, en in zijn baardje zaten nog wat restjes braaksel. Verder was er niets bijzonders te zien, besloot hij. Hij verbeeldde zich dat hij meer trek had in een whisky dan in een sigaret.
Whisky verkopen ze niet, in de foyer van een bioscoop.
Casper vroeg zich af of het niet voordeliger, wellicht zelfs gezonder was om aan sigaretten verslaafd te zijn.
Waarom was hij eigenlijk gestopt?
Hij kon het zich zo gauw niet bedenken. Een kwestie van wilskracht, had Annet gezegd. Hoe had hij het eigenlijk al die tijd uitgehouden met iemand die zo vervuld was van clichés? Als ze haar eigen clichés nou nog had kunnen naleven......
Het had een halve dag geduurd voordat Casper op het idee kwam om een fles Whisky bij een drankenhandel te kopen. Nog niet slecht voor iemand die zo duizelig was van het niet roken. Queen Anne, inferieur maar excellent, in ieder geval het goedkoopste wat hij had kunnen vinden. En het alcoholpercentage was er immers niet minder om. "Ik zou wel een sigaret lusten", zei Casper tegen het meisje van de slijterij, terwijl hij negentien gulden vijftig in haar hand uittelde. Nog voordat ze naar het pakje shag in haar kontzak had kunnen grijpen, was hij verdwenen.
Misschien moest hij maar gewoon naar huis gaan. Hij begon zich al een beetje een dronken zwerver te voelen. Hij was aan het zwerven, en hij was dronken.
Een alcoholistische zwerver.
Een zwervende alcoholist.
Wat is het verschil?
En wat doet het ertoe?
Thuisgekomen trof hij op de salontafel zijn pakje shag aan, zijn lange rijstevloeitjes, een plakje hasj. Hij had nog altijd niet de moed gehad het hele zaakje in de vuilnisbak te gooien. Gelukkig bestond er zoiets als dronkenmansmoed, daar kon hij nu over meepraten.
Toen hij rook hoe heftig de hasjlucht was, besefte hij dat het misschien niet zo slim was geweest alles in brand te steken. Nog maar een whisky, dacht hij. Die longdrink-glazen zijn verdomd handig.
Zijn oog viel op de videobanden, nonchalant opgestapeld voor het televisiemeubel. Die hadden alweer een paar dagen geleden teruggebracht moeten worden. Hij griste de onderste eruit en zette hem op.
De hardcore porno kon hem niet opwinden.
Het was een ideetje van Annet geweest. Niet dat hij er vies van was, maar porno moest je niet samen bekijken, vond Casper. Dat is iets voor eenzamen. Casper was eenzaam, nu, maar te dronken om hem overeind te krijgen. Toen het hoogblonde, topzware cowboymeisje met Havanna's in de weer ging haakte hij af.
Ze hadden het samen afgesproken.
Annet had chronische hoofdpijn, Casper voortdurend last van zijn keel. Ruim twee pakjes sigaretten per dag gingen er doorheen, en nog eens ruim één pakje shag in een halve week. En per maand een gram of vijftien wiet, af en toe wat hasj.
Samen stoppen, dat was de enige manier.
Ze waren trots op zichzelf en op elkaar, maar ook bloednerveus en licht ontvlambaar. Ze zouden elkaar steunen, maar als het misging zouden ze elkaar ook straffen. Annet liep voortdurend te dreigen, dacht dat hij degene was die het eerst zou verslappen, in een wurggreep genomen door de charmes van het duo Teer en Nicotine. De tijd leerde anders en Casper was onverbiddelijk.
Casper dacht aan haar en zapte.
Jean-Paul Belmondo met een sigaret.
David Bowie met een sigaret.
Theo van Gogh met een sigaret.
Eénderde liter goedkope whisky borrelde naar boven en kletterde onder luid geraas op het parket, vermengd met maagsappen die een ieder van de drank zouden moeten houden. Maar zo werkte dat niet, wist Casper, terwijl hij zwetend zijn mond afveegde met het nep-perzische vloerkleed.
Hij had het glas half vol geschonken toen het tot hem doordrong dat hij nuchter was.
Nuchterder, in ieder geval.
Alles stond hem ineens volkomen helder voor ogen. Hij was sterk geweest, aan hem had het niet gelegen. Hij hoefde nergens spijt van te hebben, hij was niet te hard geweest. Het halve glas whisky kolkte door zijn keel.
Casper deed een graai in de lectuurbak en bladerde wat door verschillende tijdschriften die hem geen seconde konden boeien. Hij zag eigenlijk alleen de sigarettenadvertenties, de stoere mannen op woeste wateren en wilde paarden, in rode convertibles en zandgele LandRovers. Hij pakte maar weer eens een videoband uit de stapel.
Harley Davidson and the Marlboro Man.
Het begon bijna voorspelbaar te worden, dacht hij. Zijn angstaanjagend diepe zucht viel precies gelijk met het schelle geratel van de deurbel.
Onderaan de trap stond Annet.
Ze moest nog wat spullen ophalen, zei ze, terwijl ze sloom de trap op stampte. In haar stem weerklonk een snik.
"Je stinkt naar drank", zei Casper.
Hij vroeg zich af waarom je knoflook niet rook, als je het allebei genuttigd had, en alcohol wel.
"Mag ik een whisky?", zei Annet.
Samen dronken ze het laatste glas Queen Anne. Casper merkte weinig meer van de nuchterheid die hij even geleden had ervaren. Hij keek naar Annet, naast hem op de bank, naar de zwarte kater die zich op haar schoot had neergevlijd, als een soort voorbode.
"Je bent een slappeling", zei hij.
"Laten we naar bed gaan", zei Annet.
In een roes van drank en passie raakten hun bezwete lichamen onlosmakelijk in elkaar verstrengeld. Casper duizelde, Annet hapte naar adem en ze voelden zich gelukkig, vrij als een vogel en toch verbonden.
Het was alsof het nooit anders geweest was.
Het wás nooit anders geweest.
Het zou nooit anders mogen zijn.
Alcohol en frustraties persten zich door hun porieën naar buiten, Casper wist zeker dat hij violen hoorde, honderden, een hemels concert van lust en liefde. Toen hij klaar kwam viel een last van dagen van hem af.
"Vond je het fijn?", vroeg hij, terwijl hij routinematig naar het kastje naast zich greep. Annet zei niets, lachte alleen maar zweverig en ontbrandde haar aansteker onder de sigaret tussen zijn lippen.


© 1996 Rob Passchier (robbi@worldonline.nl)