Het krijsen van de nacht

Een relaas in 13 fragmenten
I
Man opent de badkamerdeur en strompelt naar binnen. Trekt, na enig
zoeken, aan het touwtje van het licht. Knijpt zijn ogen dicht,
knippert, opent zijn ogen en kijkt in de spiegel. Zijn gezicht
heeft iets weg van een kwelgeest.

II
In het normaal gesproken drukbezochte café in de Warmoestraat
waren deze avond maar zeven mensen: hijzelf, Crista en vijf
onbekenden, de barkeeper niet meegerekend. Crista betaalde die
avond redelijk wat, waarschijnlijk omdat ze het zo leuk vond hem
weer eens te zien. Hij had een flauw vermoeden waar deze avond op
uit zou draaien, maar hij speelde het spelletje geamuseerd mee.
Dat ze over vroeger praatten verwonderde hem niets, het was immers
het enige raakvlak dat ze nog hadden: Crista interesseerde zich
niet voor zijn werk en hij interesseerde zich absoluut niet voor
Crista. Toch zat hij hier. Het was dat zij hem al drie keer mee
uit had gevraagd, en ieder keer een smoes verzinnen vond hij toch
wel zielig. Niet dat het hem moeite kostte. O nee, smoezen
verzinnen was hij sterk in. Ach, het was een mooi meisje, hield
hij zich voor en dat was minstens èèn goede reden om toch maar op
de uitnodiging in te gaan.
Hoelang hadden ze elkaar nu al niet gezien? Hij dacht dat het drie
maanden was, maar zij bleef volhouden dat het al minstens een half
jaar moest zijn geweest, omdat ze afgelopen zomer twee maanden op
vakantie was geweest. Wat deed het er ook toe? Na vanavond zou het
vast wel weer een tijdje duren.
Ze zag er, zoals gewoonlijk, weer beeldschoon uit. Het enige dat
aan haar was veranderd, was het lange bruine haar, wat vroeger
altijd kort en blond was geweest. Een vooruitgang, vond hij en zei
dit ook. Crista bloosde, haalde een hand door het haar en keek hem
uitdagend aan. Het voelde zich hierdoor ietwat ongemakkelijk en
keek een moment voor zich uit. Het gesprek dat volgde ging tot
zijn spijt weer over hun vroegere relatie.

III
Man trekt het licht uit, schuifelt naar de woonkamer en doet de
televisie aan. Veronica Call-TV, constateert hij. Man doet
grommend de televisie weer uit en loopt naar het raam. Voelt de
aarde in de plantenbakjes. Veegt z'n vingers af aan z'n
spijkerbroek en krabt zijn billen.

IV
Waarom hij nooit meer langskwam, had Crista hem gevraagd. Hij zei
dat hij de laatste paar maanden weinig tijd had gehad voor sociale
bezigheden en vroeg of ze nog een paar biertjes wilde halen. Dat
wilde ze wel, en terwijl ze naar de bar liep, keek hij haar
goedkeurend na. Doe ik hier wel goed aan, vroeg hij zichzelf af.
Het is een knap meisje, dat zeker, maar is het wel zo verstandig
om met haar de nacht door te brengen (want dat zit er dik in)? Wat
voel ik nou voor haar? Alleen geilheid toch zeker? Daar schiet je
weinig mee op. Tenzij je een frustie bent, natuurlijk. Leo, dat
was nog eens een frustie. Die schreef openbare liefdesbrieven aan
meisjes die hij amper kende. En dan maar hopen dat ze positief
reageerden. Maar zo werkt dat niet, Leo. Op het laatst kwam hij
er achter dat hij homo was, maar volgens mij was dit een goedkoop
excuus.
Crista zette geamuseerd een biertje voor hem neer en hij keek haar
afwachtend aan.
"Ik had sjans met de barman", zei ze.
"En?"
"Vanavond niet, zei ik tegen hem." Hierbij keek ze veelbelovend
in zijn richting.
"Waarom niet? Het lijkt me een aardige vent."
"Te oud. Typisch zo'n vies mannetje, vind je niet? Alleen maar uit
op een avondje sex."
Op een of andere manier voelde hij zich weer ongemakkelijk en dit
keer niet zonder reden. Hij wilde toch immers hetzelfde als dat
vieze mannetje. Wat verwachtte zij van hem? Een oude relatie
hernieuwen kon hij niet. Daarvoor verschilden ze teveel.
"Als je jaloers bent, ben je dan verliefd?", vroeg Crista na een
korte stilte, waarin ze allebei een paar slokken van hun bier
hadden gedronken.
"Wat bedoel je daarmee?"
"Als jij bijvoorbeeld nu met een ander meisje zou praten, en ik
zou jaloerse gevoelens hebben, ben ik dan verliefd?"
"Op dat meisje?", vroeg hij zo serieus mogelijk. Ze reageerde
niet. "Euhm, ik weet het niet... Ben jij dan af en toe jaloers?"
"Geen idee. Ik heb jou nog niet met een ander meisje gezien, dus
zou ik het niet weten."
Hij was wel degelijk jaloers. Jaloers op de aandacht die Crista
kreeg van andere mannen. Toen ze hierheen liepen, werd ze
nagefloten en aangesproken, en zij genoot zichtbaar van die
aandacht. Hij wilde haar daaruit wegrukken en haar die avond voor
zichzelf behouden. Of jaloersheid betekende dat je verliefd was?
Hij hoopte van niet...

V
Man kleed zich uit en doet de douche aan. Koud water. Stapt onder
de douche en blijft vijf minuten staan. Draait de kraan dicht en
droogt zich af. Gaat voorzichtig op de wc-pot zitten en laat het
hoofd zakken. Zijn ogen sluiten zich als vanzelf.

VI
"Schrijf je nog?", wilde Crista weten. Ze bood hem een sigaret aan
en hij nam deze dankbaar aan.
"Soms."
"Nog steeds gedichten?"
"En verhalen, boeken, essays, enzovoorts..." 
Het gespreksonderwerp beviel hem niet. Het schrijven wilde al een
aantal weken niet vlotten. Een hoop mensen vonden schrijven een
interessante hobby - Crista was daar èèn van -, maar voor hemzelf
was het de laatste tijd een obsessie geworden. Het was zo'n grote
obsessie, dat het leek alsof hij het verleerd was en daarom
belandde het gros van zijn werk in de prullenbak. Het moest goed
zijn, omdat iedereen dat van hem verwachtte. Goed was zo'n akelig
criterium. Als hij iets las van een ander was het altijd beter,
dus wat had hij eraan om goed te zijn.
Hij stak zijn en haar sigaret aan (in deze volgorde) en nam een
ferme slok van zijn bier. Hij wist even niet hoe hij het onderwerp
veranderen moest, maar gelukkig bracht Crista de redding.
"Zie jij nog wel eens mensen van onze groep?"
Hij glimlachte. De mensen uit 'onze groep' waren vorig jaar na het
examen bijna allemaal een andere kant uitgegaan dan hij, een ieder
naar zijn of haar universiteit of werk. Iedereen woonde
tegenwoordig in een andere stad, alleen hij, Crista en Casper
waren in Amsterdam gebleven.
"Casper woont bij mij in huis", zei hij.
"Ja, dat wist ik. Via hem ben ik ook aan je adres gekomen.
Gezellig?"
"Moeilijker dan ik dacht. Je ziet elkaar misschien te vaak, weet
je. Er zijn weleens hoogoplopende ruzies over kleine dingetjes,
je kent het wel."
"En Leo? Zie je die nog weleens?"
"Leo is dood... Wist je dat niet? Neergeschoten op de Ceintuurbaan
anderhalve week terug."
Zichtbaar geschrokken opende ze haar mond, maar er kwam niets over
haar lippen. Ze wist het dus niet. Het was duidelijk dat door dit
nieuws een domper op de avond was gekomen, dus voelde hij dat het
zijn taak was er een nieuwe wending aan te geven.
"Zullen we ergens anders heengaan?", stelde hij voor, "ik heb het
hier wel weer gezien."

VII
Man wordt wakker. Staat lachend op van de wc en rekt zich uit.
Loopt de badkamer uit en grijpt een ochtendjas uit de klerenkast.
Gooit deze terug in de kast, loopt naakt de studeerkamer binnen
en doet alle lampen aan. De gordijnen zijn dicht. Het is bijna
ochtend.

VIII
Buiten was het net zo rustig als binnen. Gearmd liepen ze in de
richting van de Dam en zeiden niets. Hij voelde hoe Crista hem
stevig omklemde, haar handen ineengevouwen bij zijn middel. Hij
had stilletjes gehoopt dat ze zou gaan huilen om Leo's dood, zodat
hij haar mocht troosten, maar Crista stapte stevig door. 
Toen hij die nacht hoorde wat er gebeurd was, huilde hij. Casper
was schreeuwend zijn kamer binnen komen rennen met de mededeling
dat Leo op straat lag. Hij begreep niets van wat er gaande was en
wilde dus ontspannen wachten tot Casper wat gekalmeerd was. Zover
kwam het echter niet. Voor hij er erg in had, werd hij meegesleurd
de trap af en in Caspers auto geduwd. Met een rotgang reden ze
door de stad en Casper bleef maar schreeuwen hoe erg het wel niet
was en waarom juist Leo dit nu moest overkomen. Pas bij de woorden
'zomaar neergeknald' drong het tot hem door wat er gebeurd was.
Bij aankomst in het ziekenhuis was het al te laat. De doktoren
verzekerden hun dat ze alles geprobeerd hadden om hem te redden,
maar dat het een hopeloos geval was geweest. De politie kon hun
ook geen verdere informatie verstrekken. Waarschijnlijk een
verdwaalde kogel. Geen getuigen.
Omdat Leo geen aantoonbare familie meer had, kregen zij enkele
dagen later, een dag voor de begrafenis, een pakketje van het
ziekenhuis met zijn persoonlijke eigendommen: portemonnee,
sleutels, aansteker, zakje wiet, een ketting en een ring. En een
papiertje. Op dit papiertje stonden het adres van hem en Casper,
en de tramlijnen die iemand moest nemen om daar te komen.
"Hij wilde naar ons toekomen", doorbrak hij het zwijgen.
"Wat...?"
"Leo... Hij wilde naar Casper en mij komen. Op bezoek. Hij woonde
in Rotterdam, weet je, en hij zou eindelijk een keer langskomen."
"O... Heb je er erg mee gezeten?"
"Nee, viel wel mee", loog hij, "het was natuurlijk wel een schok,
maar ach...een hopeloos geval"
De stilte kwam weer terug. In de hoop dat zij deze laatste
opmerking niet verkeerd opgevat had, keek hij even opzij, maar
stelde vast dat zij nog altijd ontspannen tegen hem aan hing en
geen blijk gaf van enige ontzetting of verontwaardiging.
"Heb je het van je af geschreven?", zei ze.
Terug bij af, dacht hij. Hij haalde zijn schouders op en mompelde
onverstaanbaar dat hij alleen maar over onpersoonlijke dingen
schreef zoals jaloezie en verliefdheid. Ze hoorde hem niet en gaf
hem een zoen op zijn wang, waarna ze hem glimlachend aankeek. Hij
glimlachte terug en trok haar dichter tegen zich aan.

IX
Man gaat zitten in een fauteuil. Pakt van het tafeltje naast zich
een glas en vult dit met whisky. Drinkt het glas leeg en zet het
naast zich op de grond. Staat weer op en doet de radio aan.
'Waterfalls' van TLC. Man neuriet een stukje mee. Neemt een
sigaret van het bureau, steekt deze aan en gaat weer in de
fauteuil zitten. De fles is leeg.

X
Voor café Maarten bleven ze uiteindelijk staan.
"Wil je hier echt heen?", vroeg hij. De laatste keer dat hij in
'Maarten' was, zat het er vol met corps-ballen en had Casper een
verschrikkelijk ruzie op gang gezet tussen een paar dronkaards.
"Ach kom, het is hier best gezellig. Ik zit hier wel vaker, het
valt best mee."
Crista liep voor hem uit naar binnen en groette de barman. Ze
manoeuvreerden tussen de corps-ballen en dronkaards door en gingen
achterin de zaak aan een tafeltje zitten. Hij stelde voor om bier
te gaan halen en deed dit ook. Hij stak twee vingers in de lucht
voor de barman en keek even achterom naar hun tafeltje. Crista
rommelde wat in haar rugtas en haalde er vanalles uit. Haar jas
had ze op de stoel naast haar gelegd, bovenop de zijne. Toen ze
in zijn richting keek, zwaaide hij onopvallend en keerde zich weer
om.
De barman zette twee pilsjes neer op de bar. Hij wilde betalen,
maar de man gaf aan dat dit rondje 'on the house' was.
"Ken je deze nog?", vroeg Crista, toen hij weer aan het tafeltje
zat. In haar hand hield ze een foto van hen beide, gemaakt in een
fotohokje op Haarlem C.S. tijdens Bevrijdingspop. God, wat zie ik
er vrolijk uit, dacht hij en moest beamen dat hij het kiekje nog
kende.
"Goeie ouwe tijd", vervolgde ze, "toen hadden we nog wat met
elkaar."
Inderdaad, toen hadden ze nog wat, met nadruk op het woord toen.
Ze was duidelijk van plan om weer liefdesherinneringen op te halen
en daar had hij even geen zin in. Hij wilde genieten van deze
avond, het liefst met haar, maar als het moest zonder haar. Het
had geen enkel nut om die oude dingen erbij te halen, want daar
had je nu toch niets aan. Al die momenten - toegegeven, er waren
erg veel mooie momenten bij geweest - had hij achter zich gelaten
en intussen een boel nieuwe ervaringen opgedaan. Die ervaringen
wilde hij met haar delen. Dat deed hij niet, omdat zij daar geen
deel van had uitgemaakt of kon maken.
Hij nam een sigaret uit haar pakje en stak deze aan. Na een flinke
trek blies hij de rook tegen de lamp en boog zich over het
tafeltje. Zij begreep zijn hint en kuste hem langdurig op de mond.
"Laten we niet over vroeger praten", zei hij, "we willen dat
allebei niet terug."
"Ok, ok, ik moest er gewoon vaak aan terugdenken. Vooral nu wij
hier zo samen zijn."
De manier waarop zij hem aankeek, of soms zelfs de manier waarop
zij hem niet aankeek, wond hem op. Hoezeer hij ook wist, dat dit
niet de vrouw van zijn leven was, hij kon het gevoel niet
tegenhouden. Waren het, net als bij Crista, de herinneringen die
hem zo bespeelden? Crista was en bleef bloedmooi, dat viel niet
te ontkennen. Ging zij dan nooit uit zijn leven? Als zij bleef,
bleef zijn verleden ook, en dat was wel het laatste wat hij wilde.
Die tijd was geweest, finito, gone, over en uit. Casper was
gebleven, dat mocht. Leo was weg, hoe vervelend ook. De 'groep'
was uit elkaar en verwoede pogingen om die weer bij elkaar te
krijgen, waren bij voorbaat gedoemd te mislukken. En nu was Crista
terug. God, wat hield hij veel van haar.

XI
Man maakt sigaret uit en staat op. Loopt naar de schrijftafel,
neemt een pen uit het bakje, gaat zitten en pakt een blanco vel
papier. Radio speelt 'Driving South' van Hendrix. Man voelt zich
op z'n gemak en steekt een nieuwe sigaret aan. Schuift de stoel
aan en begint voorzichtig te schrijven.

XII
Na een aantal loze gesprekken en meer biertjes dan zinnige
opmerkingen, liepen ze over het Leidseplein naar de nachtbus.
Crista woonde in Zuid en als vanzelfsprekend zou hij ook die kant
opgaan. Crista hing nu nog meer aan hem dan eerder die avond en
het enkele kusje van toen was al verveelvoudigd tot een zoen na
elke drie meter. De alcohol was hem al goed naar het hoofd
gestegen en hij voelde zich dan ook erg prettig onder de vele
liefkozingen.
Toen ze bij de halte stonden, kwam Crista voor hem staan.
"Blijf je alleen slapen of zullen we eerst nog iets leuks doen in
bed?", vroeg ze lachend en ogenschijnlijk zonder schaamte, en gaf
hem een kus, die hij gewillig beantwoordde.
"Zoals...?" Hij merkte dat hij een kleine erectie had gekregen bij
het idee aan de dingen die hem nog te wachten stonden. Hij duwde
haar een beetje van zich af.
"Dat merk je wel als we er zijn", zei ze veelbelovend en kuste hem
nogmaals. Ditmaal duurde het lang voordat ze van elkaar loskwamen.
In de nachtbus was het rustig, net als overal die avond. Ze hadden
vlak achter de laatste deur plaatsgenomen en ze spraken over hun
middelbare schooltijd en 'onze groep'. Crista was het meeste aan
het woord en hij rustte ondertussen zijn arm op haar schouder en
probeerde te luisteren. Door de opwindendheid van de te komen
dingen, volgde hij maar half wat ze allemaal zei, maar hij
geloofde dat het hem ook niet zoveel kon schelen. Dit was zijn
nacht. Over een klein kwartier zou hij in bed liggen met èèn van
de mooiste vrouwen uit zijn leven. Dit was aan het begin van de
avond al volkomen duidelijk, maar het werd door haar gedrag alleen
maar bevestigd. Niets anders was nog belangrijk. Zijn werk niet,
zijn schrijverschap niet, Casper niet, alle ellende in de wereld
niet, God niet, geld niet, nee, zelfs Leo niet... zelfs Leo was
plots onbelangrijk geworden. Leo... Leo is dood... Wist je dat
niet? Neergeschoten op de Ceintuurbaan anderhalve week terug...
Hij woonde in Rotterdam, weet je, en hij zou eindelijk een keer
langskomen... Zomaar neergeknald... Dit meisje, deze Crista, had
Leo verwezen naar het tweede plan. Zo langzaam, zo enorm gemeen
langzaam, dat hij het niet eens in de gaten had gehad. Wat was dit
voor een meisje? Wat betekende dit meisje voor hem, dat hij zomaar
alles achter zich liet voor zo'n klein nachtelijk fuifje tussen
de lakens...?
Bij de halte Parnassusweg sprong hij plotseling op en liep achter
de mensen aan die de bus wilden verlaten. Crista lachte om zijn
dwaasheid en vroeg hem niet zo stom te doen. Op de drempel bleef
hij staan en keek haar doordringend aan. Crista keek op een manier
dat tussen verbaasd en verschrikt in lag, en vroeg hem asjeblieft
terug te komen.
"Ik wil je nooit meer zien, harteloos... harteloos kreng!",
schreeuwde hij, en net op het moment dat de deuren wilden sluiten
sprong hij de bus uit en rende weg. Hij keek niet meer op of om
naar de bus, maar sprintte keihard door tot aan de Apollolaan.
Hier bleef hij staan en grijnsde triomfantelijk naar een
voorbijganger. Hij pauzeerde even, keek achterom of ze hem gevolgd
was en stak zuchtend een sigaret op. Fluitend vervolgde hij zijn
weg naar huis.

XIII
Man schrijft. Man schrijft om te vergeten. Man schrijft pagina's
vol om ze vervolgens te verscheuren. Man rookt, schrijft, rookt,
schrijft, verscheurt.
Man schrijft een gedicht. Pakt een nieuw vel papier en schrijft
het gedicht over. Verbetert wat, schaaft en polijst wat, schrijft
gedicht nogmaals over. Man huilt van tevredenheid en opluchting.
Pakt plakband van het bureau en plakt het gedicht op de deur.
Leest hardop:

  Ik kooi het krijsen van de nacht
  verdrijf daaruit een glimp van jou

  alsof dit zonder dat, dat zonder dit
  ook normaal geleefd kan worden
  open ik een herinnering

  de kroniekschrijver
  van dit nachtelijk gekooid krijsen
  is weer de stilte
  mijn stilte; vrijgelaten
  eindelijk alleen.

Man begrijpt alles en lijkt tevreden. Rukt het papier van de deur,
verfrommelt het tot een bal en gooit het weg in een hoek. Doet
alle lichten uit en opent met een ruk de gordijnen. Het is
ochtend. De man is nog altijd naakt. De radio speelt 'Remember'...
Ook van Hendrix.



Peter Jongsma (wakkere_de@jet.let.vu.nl)
(12-10-'95)